Stichting GRAFMONUMENTEN Sint Pieter.

 

Sprokkels betreffende namen Closset. Een verbreding van tijdselementen.

 

Namen van de personen op de foto's onbekend. Foto's: privé collectie Dhr. Ton van Dam en Dhr. Peter Meulekamp.

 

 





 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een aantal mensen van op de Blekerij te St. Pieter maken een uitstapje naar Duitsland (?) met een bus van Superb Cars Maastricht. Op het bord aan de muur bij een chalet met berkenstammen rondom de terrassen is te lezen "Bunten Kuh". De "gezettere" vrouw helemaal achteraan is waarschijnlijk Bertha Closset. De familie Closset-Fey op stap? Foto: privé collectie Dhr. Ton van Dam.

De locatie heb ik inmiddels gevonden. In een van de ENCI-schakels uit 1955 trof ik bijgaande foto aan. De reis-afdeling van de E.P.V. (Enci-Personeels-Vereniging) organiseerde onder andere uitstapjes naar Oostenrijk en naar het Rijnland b.v. Andernach; de "Bunte kuh" was een favoriete pauzeplek.

 

Joannes Jacobus CAMBRESIER (CAMBRESSIER)

De ouders van Joannes Jacobus CAMBRESIER (CAMBRESSIER) waren:
Jean CAMBRESIER geboren op 6 juli 1719 te Hermalle sous Argenteau. Jean huwde Marie-Agnès SAUVAGE 3 april 1758 te Visé. Jean overleed 14 oktober 1786, 67 jaar oud te Visé.


Jean Jacques werd gedoopt op 11 juni 1758 te Visé. Jean Jacques huwde Maria Gertrudis CLOSSET, dochter van Leonardus CLOSSET (CLOSET CLOESSET) en Anna Joanna CORBESIER (CORBESIJ CAMBRESIER), 31 oktober 1784 te Visé .
 

Bekende kinderen:
i. Marie Agnès CAMBRESIER. Marie werd gedoopt op 13 mei 1785 te Visé. Marie overleed 7 mei 1856.
ii. Léonard CAMBRESIER. Léonard werd gedoopt op 25 oktober 1786 te Visé.
iii. Anne Jeanne CAMBRESIER. Anne werd gedoopt op 24 januari 1788 te Visé.
iv. Jean Jacques CAMBRESIER. Jean werd gedoopt op 26 juli 1790 te Visé. Jean werd begraven op 26 februari 1845 te Visé.
v. Marie Elisabeth CAMBRESI (CAMBRESIER). Marie werd gedoopt op 13 oktober 1793 te Visé.
vi. Marie Gertrude CAMBRESIER. Marie werd gedoopt op 29 maart 1795 te Visé.
vii. Jean Joseph CAMBRESIER geboren op 25 september 1797 te Bombaye.
viii. Marie Louise CAMBRESIER geboren op 16 december 1802 te Visé.
ix. Leonardus CAMBRESIER (CAMBRESY) werd geboren te Devant-le-Pont Visé. Léonard werd gedoopt op 3 oktober 1804 te Lixhe.
x. Dieudonnée CAMBRESSIER (CAMBRESIER CAMBRESY). Zij huwt Jean Henri CLOSSET.


Jean Jacques overleed in 1840, 82 jaar oud. Hij was "maître pontonnier". In 1803 werkte hij 5 dagen te Devant-le-Pont à 40 Luikse sous om het veer naar Cheratte te herstellen. 40 sous is gelijk aan de prijs voor 60 eieren of 5 pond stokvis. Losse arbeiders verdienden 25 sous per dag. In 1811 was het dagloon van een metselaar 1 franc en 48 centimes en bedroeg het dagloon van een losse arbeider 1 franc en 18 centimes. Een pontonnier verdiende in 1828 2 francs 50 per dag (zijnde de prijs van 25 liter rogge) voor werkzaamheden bij de scheepsbouw.

Geldverhoudingen:

1 pond, livre (lb) = 20 schellingen, sous (s) = 240 penningen, deniers (d)
1 schelling = 12 penningen
1 gulden, florin (f) = 20 stuivers, patards (st). Zie verder: Muntstelsels uit het verleden.

Een generatie vroeger dan die van Jean-Jacques CAMBRESIER leeft een Reinier-Joseph CLOSSET te Visé. Op 1 januari 1799 wordt hij samen met J. CHOUFFART genoemd als "fabricant de serges": maker van textiel, sjaals. 31 december 1802 is hij marchand de bas (kousenhandelaar?). Hoe zijn relatie met de andere Clossets is, is nog niet bekend.

Renier werd geboren omtrent 1740. Hij huwde Isabelle WIJNANTS (WINANTS) omtrent 1760.
 

Bekende kinderen allen gedoopt te Visé:
i. Marie Joseph CLOSSET gedoopt op 10 juni 1760.
ii. Jean Matthieu Guillaume CLOSSET gedoopt op 16 juni 1764. 31 december 1802 wordt hij genoemd als marchand de bas (kousenhandelaar?) te Visé.
iii. Marie Catherine CLOSSET gedoopt op 29 september 1766.
iv. Marie Isabelle CLOSSET gedoopt op 9 februari 1771.
v. Renier Joseph CLOSSET gedoopt 8 juli 1772. Reinier overleed 26 november 1823, 51 jaar oud te 's-Hertogenbosch.
vi. François Joseph CLOSSET gedoopt op 3 oktober 1774.

 

Jean en Joseph CAMBRESIER zijn bekende kunstenaars. Zie: Jean et Joseph Cambresier, petits maîtres, liégeois de talent.

Marie Jean Guillaume CAMBRESIER werd geboren te Lixhe (Visé), in het oude gemeentehuis op 31 januari 1856. Zijn moeder Anne-Marie RAINOTTE (RENOTTE) (1819 - 1883), is huishoudster, zijn vader François-Joseph (1813 - 1897) is gemeente onderwijzer. Jean overleed 30 juni 1928, 72 jaar oud te Luik. Zijn broer Joseph werd geboren op 20 juli 1861 te Lixhe. Hij overleed 31 januari 1932, 70 jaar oud te Luik.

Alle kinderen uit het gezin:

i. Marie François Léonide CAMBRESIER geboren op 20 september 1842 te Visé. Zij overleed 7 oktober 1842, 17 dagen oud te Visé.
ii. Marie François Lambert CAMBRESIER geboren op 26 oktober 1843 te Visé. Magazijnbediende.
iii. Marie Elisabeth CAMBRESIER geboren op 21 januari 1846 te Lixhe. Zij overleed 26 januari 1848, 2 jaar oud te Lixhe.
iv. Marie Elise Louise CAMBRESIER geboren op 18 februari 1848 te Lixhe. Strohoedenvlechtster.
v. Marie Catherine CAMBRESIER geboren op 5 mei 1850 te Lixhe. Kledingmaakster.
vi. Marie Honorée Hubertine CAMBRESIER geboren op 16 mei 1853 te Lixhe.
vii. Marie Jean Guillaume CAMBRESIER geboren op 31 januari 1856 te Lixhe. Jean overleed 30 juni 1928, 72 jaar oud te Luik. Kunstschilder.
viii. Marie André Joseph CAMBRESIER geboren op 14 maart 1859 te Lixhe.
ix. Marie Joseph André CAMBRESIER geboren op 20 juli 1861 te Lixhe. Joseph overleed 31 januari 1932, 70 jaar oud te Luik. Kunstschilder.
x. Marie Jacques Paul Léonide CAMBRESIER geboren op 30 december 1863 te Lixhe.

 

September 1867, vader beëindigt zijn carrière, verhuist het gezin naar buitenwijk Vivegnis, n° 172, in de stadswijk Saint-Léonard te Luik.

 

Het stadhuis van Visé aan de oever van de Maas (situatie van vóór 1914): olieverf op steen; gesigneerd en gedateerd links beneden JEAN CAMBRESIER, 1914; 24 x 10 cm; Visé, musée régional d’Archéologie et d’Histoire, inv. 01 / 680.

Joseph Cambresier: uitwaaien langs het kanaal: waterverf op papier; gesigneerd; 11.02" x 14.96". Zie: Joseph Cambresier - Auction Records.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verdwenen villa's en Prof. P. Debije.

Luchtopname van het kanaal Luik-Maastricht, de Blekerij en de Maas in 1962. De pijl wijst de ligging van de villa Gelissen aan.

 

 

 

Prins Bisschopssingel 1. Villa Gelissen. Prof. Dr. Gelissen - oud directeur van de PLEM - bouwde deze villa op de hoek Prins Bisschopsingel/ Sint Pieterskade ca. 1920. De villa werd in 1966 afgebroken ten behoeve van de aanleg van de Kennedybrug. Zie ook: http://www.iisg.nl/ondernemers/pdf/pers-0515-01.pdf en Debye.

De sloop van villa Gelissen is begonnen. De eerste pijlers van de Kennedybrug verrijzen - 1966.

 

Een bekend aantal personen bijeen in "villa Gelissen": v.l.n.r. Prof. H. Gelissen (1895-1982), Prof. P. Debije (1884-1966) en Dhr. E. van Oppen (1886-1965).

Interieur: de salon met "schouw". Foto's (incl. luchtfoto 1962): collectie Dhr. Rob Kamps. Met dank aan Dhr. Nicolai Gelissen.

 

"Bekend geworden professoren geboortig van Maastricht, kent men in Maastricht vaak (niet) meer; je zou bijna hoofdpijn krijgen van een zo geringe mate van chauvinisme"

Over Professor Debije - Petrus Josephus Wilhelmus Debije - is veel commotie ontstaan door publicaties in diverse media. Student scheikunde te Groningen Piet Hovens (* 17 januari 1939) schreef in 1958 op 19-jarige leeftijd in waarschijnlijk dagblad De Nieuwe Limburger afgebeeld artikel. Met dank aan Mevr. M. Hovens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zie: Petrus Josephus Wilhelmus Debije (1884-1966) en Debye.

Ook Gelissen en Van Oppen krijgen na de bevrijding problemen. Zij worden "opgepakt" en beschuldigd van economische samenwerking met de voormalige bezetter. Alles loopt na een periode van persoonlijke vernedering van beide heren met een sisser af.

 

Meer over het M.S.O. orkest en Henri Hermans:

Het M.S.O. met dirigent Henri Hermans in concert te Rolduc op 4 februari 1940. Vader en zoon Timmermans moeten dus gezamenlijk op deze foto te herkennen zijn. Bron: collectie Gemeentearchief Maastricht, archief Stedelijke Muziekschool, inv.nr. 600.

 

Henri Hermans (1883-1947).

 

 

 

 

Andries Antonie Rieu.

Zie: LIMBURGS SYMFONIE ORKEST.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Detail.

 

Het Henri Hermanspark te Maastricht is naar hem vernoemd.

Op zijn met graffiti besmeurde herdenkingsplaquette/standbeeld ontworpen door Charles Vos is te lezen:

Henri Hermans

1883 - 1947

           organist dirigent leraar

Foto's: Breur Henket.

St. Nicolaas inkoopswandeling uit 1891 (Roermond):

St. Nicolaas inkoopswandeling uit 1891 (Roermond)

Om onze lezeressen en lezers eenigszins tot gids te verstrekken, brachten wij een bezoek aan de verschillende étalages en namen van allen den indruk mede, dat zij ruimschoots gelegenheid aanbieden om zoowel de kleinste als de meer kostbaarder voorwerpen te bekomen, zoodat men niet naar buiten de stad behoeft te gaan om zijne inkoopen te doen.
Wenscht men snoeperijen voor de kinderen, dan brenge men een bezoek aan de étalages der heeren Raymann-Heijnen en Hilgers, H. Geeststraat, Kerbosch-van Hooff en Hilgers, Steenweg. Ceulemans en Reijnders, Markt, Clout-Hover en Th.Linders, Swalmerstraat, Jeukendrop, Schoenmakersstraat, Langenhoff,Bergstraat, Lucie Scheepers en G. Loven, Marktstraat. Basten Brugstraat, Frans van der Borch, Niessen en ten Dijk, Neerstraat, Wed. Janssens, hoek Oliestraat, Hilgers, St. Christoffelstraat, H. de Man, Minderbroedersstraat, G.Lohmeijer, Bakkerstraat, Bertrams, Swartbroek, Wassenberg, Boulevard, Hénuy, Godsweerdersingel, Geisler, Kruisheerenstraat, Geraedts, Veldstraat, Dohmen, Stationsplein, Dahmen, in de Steeg, Lintjens, Werf, en Ledoux, voorstad St. Jacob.
Al deze magazijnen en nog meer anderen zijn rijk voorzien van speculatie, suiker-en chocoladewerken, terwijl bij eenigen zeer verrassende surprises te bekomen zijn.
De speelgoed-magazijnen van de heeren van Leent-Kerbosch, Markt, en firma van Hooff Swalmerstraat, Veith en Gubbels-van Beesel, Neerstraat, bieden u tot ongekend lage prijzen de meest volledige collectie kinderspeelgoederen aan, zoodat men daar niet lang behoeft te zoeken om zijn gading te vinden.
Wil men het nuttige aan het aangename paren, dan brenge men een bezoek aan de rijke étalages der heeren van der Marck, Steenweg, Wed.Welsch, Varkensmarkt, Timmermans, Bergstraat, Karel Groels, Neerstraat, J.J. Küppers, Hamstraat, J.H. Lucas en J.J. Romen & Zonen, Schoenmakersstraat, waar men al hetgeen tot veredeling van geest en hart kan dienen, kan vinden zoals fraaie lees-en prentenboeken, kerkboeken en luxeartikelen in duizende soorten, enz.enz., te veel om op te noemen.
Wenscht men geschenken van blijvenden aard, dan vergete men niet de magazijnen der heeren Bingen-Rietjens, hoek Steenweg, J. Rijken-Wartenbergh, Marktstraat, Felix Janssens, Markt, Jos Raemaekers, Varkensmarkt, van Herpen, Swalmerstraat, H. van den Bongaert, H. Geeststraat, Singer's
Naaimachine - dépôt en van Dick-Vincken, Schoenmakersstraat, Gebr. van den Hoff, Roersingel, J.Krieger,Swalmerstraat, Pauli-Rouleau, Neerstraat, enz.
Sinterklaas Kapoentje uit 1928.
Hier vindt men voorwerpen van kunst, smaak en nut, waarmede men menig huismoeder, vriend of vriendin kan verrassen.
In de magazijnen van manufacturen van de heeren L. Corsten, Steenweg, H. Nozeman & Co. Jos Heijnen, Cato Veltmans, Wed. Geurts-Smits, Henssen-Smitshuijsen, Story, Eyck-Locher van Koch, allen aan de Markt, Gez. Hendriks en Gez.Jansen, van der Velden firma Fouquet, Schreinemacher, Marktstraat, Schönkes, Saes en Puts, Bergstraat, Wed. Acket en Routs-Körner, Neerstraat, Henri Stark, Hamstraat, Knarren en Agnes Walraven, Schoenmakersstraat, en meer andere, vindt men zowel de goedkoopste als de kostbaarste artikelen geschikt voor cadeaux.
Heeft men in de bovenstaande magazijnen nog geen keuze kunnen doen, dan brenge men een bezoek aan de goud-en zilvermagazijnen van de heeren Frans Plaghki, Munsterplein, W. Wouters en R. Voss, Schoenmakersstraat, J. Loven, Markt, of aan de uurwerkmagazijnen van de heeren Rechter en Scholberg, Markt, Scholberg en Eyck, Swalmerstraat, Voldenberg, hoek Brugstraat. Als men hier niet slagen kan, dan moet men zonder twijfel veeleischend zijn.
Wenscht men surprises uitsluitend geschikt voor dames, dan beschouwe men de étalages der heeren F. Mühlenbruch, H. Geeststraat, Stevens, Marktstraat, Lienaerts, Kraanpoort en zijn broeder hoek Veldstraat, en men zal naar keuze kunnen slagen.
Onze wandeling verder voortzettende, ontwaren wij nog de pleterij-magazijnen van de heeren Jac. Timmermans en H. Heijnen, aan de Markt, alwaar een prachtige collectie voor groote en kleine kinderen uitgestald zijn en men veel artikelen kan bekomen welke het lichaam tegen de winterkoude kunnen beschutten.
Ook het magazijn van den heer J. van Dijk, Kruisherenstraat, mogen wij niet vergeten.
Niet alleen vindt men hier eene ruime collectie fluweel, zijde en satijn voor damestoilletten, maar ook een groote hoeveelheid kleurige schakeeringen van coupons om poppen te kleeden is daar aanwezig en tegen uiterst billijke prijzen te verkrijgen.
Wenscht men een cadeau, bijzonder geschikt voor heeren, dan brenge men een bezoek aan de vele aanwezige sigarenmagazijnen, waar men de geurigste soorten aan concurreerende prijzen bekomen kan.
Na alle neringdoenden een voordeelige, en onze lezeressen en lezers eene goede St. Nicolaas te hebben toegewenscht, nemen wij afscheid van hen, in de hoop het volgend jaar hen weder op hunne wandeling te mogen begeleiden.

Bron: Maas & Roerbode van 28 november en 1 december 1891.

Meer over de familie Jelinger en schilder Han Jelinger:

H R VAK R: Henri Adriaan Jelinger - Marie Françoise Adrienne Roberti

- Een kruis -

Han Jelinger / 1895  1961 / echtg. van / Riet Roberti / 1894  1965

De ouders van Henri Adriaan JELINGER waren Petrus Hubertus Augustinus JELINGER geboren op 12 oktober 1853 te Maastricht. August huwde Helena Agnes Maria HUIJSSER na ondertrouw op 2 augustus 1883 te Bloemendaal, 28 augustus 1883 te Bloemendaal. August overleed 16 september 1928 te Maastricht. Helena Agnes Maria HUIJSSER werd geboren in 1864 te Utrecht.
 

Henri Adriaan Jelinger wordt op 4 september 1895 geboren te Maastricht (protestants). Vanaf 1911 krijgt Jelinger schilderlessen van Guillaume Eberhard. In 1912 en vervolgens in 1914-1915 verblijft hij te Amsterdam waar hij zijn acte M.O. tekenen behaalt. In 1916 vertrekt hij weer naar Amsterdam om tegelijk met zijn vrienden Henri Jonas, Jos Postmes en Jos Narinx bij Antoon Derkinderen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten zijn opleiding te voltooien. In 1920 wordt Jelinger voorgedragen voor de Prix de Rome, maar hij verkiest het om niet mee te dingen naar de prestigieuze prijs, maar in plaats daarvan terug te keren naar Maastricht om 28 september 1921 te trouwen met de onderwijzeres Marie Françoise Adrienne ROBERTI, dochter van Alexander Lambertus Emilius ROBERTI en Elisabeth Hubertine Hortense LAHAYE. In Maastricht wordt hij een van de drijvende krachten achter "de bende van De Suisse", de groep van schilders, architecten, dichters, schrijvers, cultuurminnaars, die in de jaren twintig de avonden doorbrengt in het aan het Vrijthof gelegen café De Suisse. Als enige van de bende van de Suisse werd hij lid van de Kultuurkamer; iets wat sommige mensen hem nu nog kwalijk nemen.

 

 

De bijnaam voor Han Jelinger was "de kardinaal". Als jongeling wist hij op een gegeven moment de feestgewaden van pastoordeken Mgr. Dr. Ernest Menten van de St. Mathiasparochie te Maastricht te "bemachtigen": hij was stiekem de sacristie ingeslopen. Vervolgens trok hij deze paars gekleurde kleding aan en liep alles zegenend over de Boschstraat te Maastricht. Vandaar zijn bijnaam "de kardinaal". Zijn welgestelde en welgeziene vader kon deze actie niet echt op prijs stellen en dat hebben de billen van Han geweten! Zijn vrouw Riet werd berucht om haar harde en doordringende stem; zij kreeg de bijnaam "de loudspieker". Mooie verhalen, maar of het allemaal echt zo gebeurd is, zullen wij nooit weten. Het doorvertellen van verhalen ("overlevering") kan de inhoud van verhalen geleidelijk veranderen. Zie verder: Huub Noten: Tuinen van Stilte - Maastricht 1998.

 

Han Jelinger maakte, (pen)tekeningen, etsen als olieverfschilderijen. In de tekeningen en etsen van veelal Maastrichtse stadsgezichten toont hij zich een detaillist. Han Jelinger overleed 12 april 1961 te Maastricht in het Ziekenhuis St. Annadal, zijn woonadres was Jekerweg 55 te Maastricht, 65 jaar oud en werd 17 april 1961 begraven op het kerkhof van St. Pieter. Riet werd geboren op 9 maart 1894 te Maastricht. Riet overleed 20 september 1965 te Maastricht, Sint Servaasbolwerk 39, 71 jaar oud en werd begraven te Maastricht op het kerkhof van St. Pieter. Het huwelijk bleef kinderloos.

 

Hans' broer Charles Henri Hubert JELINGER overleed 8 september 1937 ten gevolge van typhus te Perpignan en werd met militaire eer begraven op 14 september 1937 te Maastricht op de Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg. Charles was Officier-waarnemer bij de Non-Interventie Commissie te Spanje en Reserve-Kapitein van de Infanterie.

 

Detail.






De makers van het graf: V.D. BOSCH EN ZN. LIMMEL
. Zie ook: Verdwenen of geruimde grafmonumenten.
Tijdens de vrijwillige evacuatie in de St. Pietersberg gedurende de oorlogsdagen in september 1944, trok Riet Jelinger-Roberti zich het lot van de geëvacueerde kinderen aan. Zij vertelde een vervolgverhaal over een kabouter die in de berg woonde; de kinderen mochten zelf meewerken aan het vervolg van het verhaal. Zo zorgde zij voor de "cliffhangers" in het verhaal, opdat de kinderen weer graag terugkeerden naar hun schuilplaats. Wrang is dat Han Jelinger na de bevrijding werd opgepakt als "verdacht persoon" vanwege zijn lidmaatschap van de Kultuurkamer en korte tijd geïnterneerd werd in het parochiezaaltje te Sint Pieter. Tot heden is er nooit een overzichtstentoonstelling van het werk van Han Jelinger te Maastricht gehouden. Dat is te betreuren, want wie heeft er niet werk van Han Jelinger aan de muur hangen in Maastricht?

De bakkersoven. Bron: ENCI-schakels 1951.

Rousseau 1994.

100 gidsen en 10 E.H.B.O.-sters zorgden voor de duizenden geëvacueerden. Vooral mensen die in de buurt van de bruggen woonden, waaronder veel gezinnen uit de Stokstraat, zochten hun toevlucht in de berg. De omstandigheden in de berg waren zeer primitief. Gidsenleider Fernand Tripels en zijn "vleermuizen", pater Willibrordus, Bèr Goessens, Jean Sarolea, Dr. Graafland en apotheker Eberhard zijn enkele namen van mensen die een belangrijke rol gepeeld hebben in het "managen" van deze grote groep mensen van alle leeftijden. Boer Crijns bracht regelmatig stro. Een kind werd in de berg geboren: op 8 september 1944 werd Fredricus (Frits) Beks geboren dichtbij de bakkersoven waar moeder Beks een warm plekje was toegewezen. Vrijdag 15 september 1944 was de berg weer zo goed als verlaten: Maastricht was bevrijd.

"Onderaards in Oorlogstijd” is een drieluik van de documentairemakers Jacquo Silvertant en Jac Diederen. Via de DVD kunt U deze tijd herbeleven; te bestellen via L1 Shop.

De Spaanse burgeroorlog (1936-1940) was een oorlog tussen de aanhangers van de democratische regering van Spanje en de conservatieve krachten o.l.v. generaal Franco. Franco werd gesteund door Mussolini en Hitler. Het leger zette o.l.v. Franco de regering aan de kant, veel vrijwilligers uit alle landen vormden een Internationale Brigade om de regering van de republiek Spanje te helpen. Stalin koos de zijde van de republikeinen. Engeland en Frankrijk twijfelden nog, ze deden niets; een Non-interventie Commissie werd opgericht passend binnen het beleid van een "appeasementpolitiek": een politiek gericht op het voorkomen van oorlog door steeds wat toe te geven aan de tegenstanders.

























Exploitant F.A. Rutten liet het interieur van het restaurant van het fort St. Pieter voorzien van wandschilderingen door Han Jelinger. Foto: privé collectie Dhr. Sermon Smitshuysen.

Op onderstaande tekening van Han Jelinger het fort vanuit het Jekerdal gezien. Bron: privé collectie.

August of zijn broer Charles Hubert Henri JELINGER (* 1855) waren betrokken bij een noodlottig ongeval. Den Limburger Courier kopt op 31 mei 1881 onder "Algemeene ontroering in de stad": "Buiten de O.L. Vrouwepoort reden de twee Jonge Heeren William Regout en Jelinger in een klein rijtuig naar Slavante. Op een 50  meter afstand van de St. Lambertus kapel schrok het paard en sprong met het rijtuig in het kanaal. De heer Jelinger kon zich redden. De Heer William Regout (26 jaren) verdronk. Na een half uur zoeken onder leiding van Burgemeester Ceulen kon het stoffelijk overschot van W. Regout worden opgevist". William Victor Hubert Antoine REGOUT was de oudste zoon van Eugenius Bernardus Hubertus REGOUT,  eigenaar-bewoner van de Villa Wyckerveld te Meerssen, .en Carolina Hortensia Victoire BONHOMME. William overleed 29 mei 1881, 26 jaar oud  te St. Pieter.

Bidprentje Petrus Hubertus August Jelinger.

Han Jelinger: de Maastrichter Pastoorstraat. Bron: privé collectie.

Han Jelinger: m'r 45 Mechelen St. Annastraatje.

Foto: Mechelen hoek Haverwerf en St. Annastraatje: een oud Mariabeeld op de hoek van de Quai d'Avoin. Bron: privé collectie.

Klik hier!

 

 

 

 

Signatuur Han Jelinger. Klik op de signatuur om een presentatie te zien van onlangs te koop aangeboden werken van Han Jelinger.

 

 

 

 

 

Op het bidprentje van Han Jelinger is dezelfde voorstelling gebruikt.


De Vereeniging Kunst en Vermaak organiseert regelmatig concerten en andere activiteiten in het Casino te St. Pieter
o.a. een bal op 17 december 1871. Tot de genodigden horen een M. Dolhain en een Henri Closset:

 

 

 

 

 

Bron: RHCL - familiearchieven.

 

 

Bron: Gemeentearchief Roermond- Krantenarchief 1912.

 

Afkomstig uit: jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1964-1965, pag. 128-139.

FRANÇOIS CLOSSET

(Herstal, 4 februari 1900 -- Etterbeek, 15 december 1964)

François Lambert Michel Eugène Closset werd geboren te Herstal, het welbekend industriecentrum, ten noorden van Luik. Zoals men weet was Herstal in de late Merovingische tijd, samen met Jupille vlakover aan de rechter Maasoever, een van de meest uitverkoren pleister- en verblijfplaatsen der Pippijns, de Frankische hofmeiers, van wie Karel de Grote zou afstammen. Zou de zoveel jongere dorps- of streekgenoot van Carolus Magnus, "herstallensis", gedurende zijn talloze pedagogische, didactische en cultuurhistorische mijmeringen, ooit aan zijn roemruchte keizerlijke voorzaat, toch zijn verre peter op gebieden die zijn volle belangstelling hadden, hebben gedacht? Zoals ik hem gekend heb, zou me dit niet verwonderen.

François Closset stamde uit een eenvoudig, naarstig ambtenaarsgezin, dat het niet altijd gemakkelijk had. Zijn vader, Lambert Closset, was gemeente-ontvanger te Herstal; deze moest het gezin vroegtijdig ontvallen, zodat de oudste zoon des huizes, -- onze Luikse collega, -- de verantwoordelijkheid op de schouders geschoven kreeg voor de opvoeding en het onderwijs van de overblijvende kinderen. Zelf volgde hij eerst lager onderwijs op zijn geboortedorp (1907-1913), middelbaar (secundair) onderwijs aan het Koninklijk Atheneum te Luik (1913-1919); tot hij, in oktober 1919, op de Luikse Rijksuniversiteit terecht kwam, waar hij zich liet inschrijven in de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren, afdeling Germaanse Filologie. Hij zou er, volgens het nog steeds in voege zijnde universitair systeem in België, nl. voor de studie van de Germaanse taalen letterkunde, Duitse, Engelse en Nederlandse taal- en letterkunde in de kandidatuur, Duitse en Nederlandse taal- en letterkunde, met Engels als optievak, in het doctoraat studeren.

In oktober 1919 zou de Luikse Rijksuniversiteit, waarvan de werkzaamheden, ten gevolge van de eerste wereldoorlog, vier jaar lang lam gelegd werden (4.8.1914-21.1.1919), hiermee weer op dreef geraken. Eveneens in de afdeling Germaanse Filologie, waarin echter weldra wijzigingen in de samenstelling van het hooglerarencorps zouden worden aangebracht.

Toen François Closset er, in oktober 1919, met zijn studies een aanvang nam, vond hij er Joseph Mansion (1877-1937), sinds 20.10.1904 docent, nl. in de vergelijkende grammatica der Germaanse talen, de historische grammatica van het Engels en het Duits, het Gotisch, de filologische oefeningen over het Nederlands. Voorts trof hij er aan: Henri Bischoff (1867-1945), sinds 5.7.1895 tot docent benoemd voor de leerstoel in het Duits; Paul Hamelius (1868-1922), sinds 20.10.1904 tot docent aangesteld voor de leerstoel in het Engels, ook in de beginselen der belangrijkste moderne literaturen; René Verdeyen (1883-1949), die op 15.12.1919 in functie zou treden, -- dus enkele maanden na zijn inschrijving, -- dit voor de leerstoel in de encyclopedie der Germaanse talen, en in het Nederlands. René Verdeyen, de opvolger van Frans van Veerdeghem (1849-1932), die tussen 1888 en 1919 zou doceren, was na de eerste wereldoorlog de eerste jongere kracht die, gedurende de universiteitsjaren van François Closset (1919-1923), de afdeling Germaanse Filologie fris bloed zou bijzetten. Hij zou spoedig gevolgd worden door Adolphe-Léon Corin (1889), die in januari 1920 Henri Bischoff voor het Duits zou opvolgen, door Victor Bohet (1887-1948), die in mei 1922 Paul Hamelius voor het Engels zou aflossen.

Het is dus hoofdzakelijk van genoemde naoorlogse jongere ploeg, nl. het driemanschap Bohet-Corin-Verdeyen, met daarbij Joseph Mansion als de wijze, geëerbiedigde mentor, dat François Closset hoger onderwijs in de Germaanse taal- en letterkunde zou genieten: Victor Bohet, "homme probe et libre" (Closset); Adolphe-Léon Corin, "plus qu'un savant, plus qu'un Maître: un guide, un soutien et un ami à travers la vie" (Closset); René Verdeyen, "l'animateur auquel l'enseignement du néerlandais à l'Université de Liège doit son épanouissement" (Corin); hun aller mentor, Joseph Mansion, "grand savant" (rector Duesberg). Het is onder de leiding en de tot wetenschappelijke werkzaamheid aansporende impuls van dit bijzonder geliefd, vooral ook gezaghebbend, en daarom bewonderd Luiks professorenteam, -- de ouderen onder ons kunnen hiervan nog getuigen, -- dat tussen 1919 en 1923 de Luikse Germaanse Filologie die toen, en nog in latere jaren, afgezien van sommige ideologische verschillen een sterke onderlinge samenhang vertoonde, François Closset als filoloog voor het leven zou stempelen. Zulks zou niet enkel het geval zijn op de gebieden van de Duitse, Engelse en Nederlandse taal- en letterkunde, op die van de pedagogie, de methodiek en de didactiek, evenzeer op die van de doorgronding en kennis van de mens over het algemeen, gepeild en gemeten naar 's mensen eigen maat.

Op 15.7.1921 werd François Closset tot Kandidaat in de Wijsbegeerte en Letteren gepromoveerd; op 25.7.1923 tot Doctor in de Wijsbegeerte en Letteren, en wel op een, in het Nederlands geschreven, Duits proefschrift: Bijdrage tot betere Kennis van de Fantasie van Jean Paul Fr. Richter aan de hand van zijn Vergelijkingen en Metaphora's in den "Quintus Fixlein". In bewuste naoorlogse jaren, die van het hoogtij vierend gemeenschapsideaal, was de academische geest nog zo, dat een dergelijk samengaan van verschillende talen en cultuurgebieden mogelijk bleek te zijn, althans wat de vorm van het academisch proefschrift betreft.

Onmiddellijk na zijn promotie te Luik, zou François Closset, als leraar in de Germaanse talen, het middelbaar (secundair) onderwijs ingaan; hij zou er dertien jaar lang, nl. aan de Koninklijke Athenea van Bouillon (24.10.1923-9.1.1924), Dinant (9.1.1924-5.8.1927) en Hoei (5.8. 1927-20.2.1936) werkzaam zijn. Het zullen de jaren zijn, tussen 1927 en 1936 doorgebracht te Hoei, die, pedagogisch, tot zijn meest stimulerende, en methodologisch tot zijn meest vruchtbare, de meest voorgoed vormende kunnen worden gerekend; zijn latere methodologische werkzaamheid aan de Luikse Rijksuniversiteit is, in functie hiervan, van deze leerjaren te Hoei niet los te denken.

Het is te Dinant dat François Closset zijn aanstaande vrouw, Angèle Georgette Manteau, met wie hij op 4.4.1936 in het huwelijk zal treden, zal leren kennen. De jonge echtgenoten zullen zich na hun huwelijk te Brussel vestigen, waar een beetje later de Uitg. Mij Onze Tijd, S.V., die vanaf 1.8.1936 Onze Tijd, Maandblad voor letteren, kunst en wetenschap uitgaf, en toen onder de directie stond van Leo J. Kryn, tot de Uitg. Mij A. Manteau, N.V. zal worden omgevormd. Het Vlaams en Hollands uitgeversbedrijf, ook zij wier taak het is zich met de geschiedenis van de Nederlandse literatuur onledig te houden, weten wat ze aan de Uitg. Mij A. Manteau, N.V. verschuldigd zijn; ik herinner slechts aan de uitgave van het verzameld werk der Van Nu en Straksers, Karel van de Woestijne, August Vermeylen, Herman Teirlinck; de belangstelling voor "die van 't Fonteintje", Raymond Herreman, Karel Leroux, Richard Minne, Maurice Roelants, die in het bijzonder door François Closset werden bestudeerd; het ontdekken van jongere Vlaamse talenten, vooral romanschrijvers, die ten gevolge van de stichting van de Leo J. Kryn-Prijs, waarvan François Closset jurylid was, dit samen met Willem Elsschot, Raymond Herreman, Willem Pelemans en Maurice Roelants, werden bekend gemaakt. De Leo J. Kryn-Prijs werd het eerst in 1942 toegekend, nl. aan Louis-Paul Boon voor zijn roman De Voorstad groeit.

Buiten zijn werkzaamheid als leraar aan genoemde Koninklijke Athenea, is François Closset, voor en tijdens zijn docentschap aan de Rijksuniversiteit te Luik, eveneens werkzaam geweest als docent in het Nederlands aan de Rijksmiddelbare Normaalschool te Luik (2.10.1933 -- 31.1. 1936), als docent in de Germaanse Talen aan het Hoger Handelsinstituut te Bergen, Provincie Henegouwen (1.2.1936 -- 1.10.1939).

In 1934 begon hij zijn loopbaan als docent aan de Luikse Rijksuniversiteit.

Bij Koninklijk Besluit van 19.3.1934 werd hij eerst aangesteld tot docent 3de categorie (half-time) voor de bijzondere methodiek over het Engels, het Duits en het Nederlands, en de hierbij horende oefeningen (Méthodologie spéciale de l'anglais, de l'allemand et du flamand, et les exercices qui s'y rapportent). Ten gevolge van het overlijden van Joseph Mansion op 8.11.1937 en een verzoek tot ontlasting, ingediend door Antoine Grégoire en aanvaard bij Koninklijk Besluit van 25.1.1939, -- Antoine Grégoire bezette deze leerstoel vanaf 15.1.1921, -- werd hij voorts, bij Koninklijk Besluit van 23.1.1939, tot docent 1ste categorie (full-time) benoemd voor de filologische oefeningen over het Nederlands (Exercices philologiques sur le flamand, partim: 1re année candidature, en remplacement de Monsieur le professeur Mansion, décédé), daarbij de facultatieve leergang in de orthofonie, partim: orthofonie der Germaanse talen (Cours facultatif d'orthophonie, partim: Orthophonie des langues germaniques, candidature, en remplacement de Monsieur le professeur Grégoire qui en a été déchargé sur sa demande). Bij Koninklijk Besluit van 21.7.1942 werd hij, met ingang van 1.1.1942, tot gewoon hoogleraar bevorderd. Een laatste maal, dit ten gevolge van het overlijden van René Verdeyen op 9.10.1949, werden zijn opdrachten, bij Koninklijk Besluit van 21.12.1950, eens te meer uitgebreid; het gold hier de grondige geschiedenis van de Nederlandse literatuur (Histoire approfondie de la littérature flamande, licence en philologie germanique), de filologische oefeningen over het Nederlands, partim: literatuur (Exercices philologiques sur le flamand, partim: partie littéraire, licence en philologie germanique, en remplacement de Monsieur le professeur Verdeyen). Op 15.6.1958 werd hij verder toegelaten een vrije leergang in de Nederlandse taal te doceren (Cours libre: Langue néerlandaise); een toelating, die op 29.6.1959 werd vernieuwd.

Als men de werkzaamheden van François Closset als leraar, hoogleraar, daarbij als bestuurder, voorzitter of gewoon lid van sommige raden, stichtingen, verenigingen, commissies, tijdschriften, e.d. overzichtelijk beschouwt, valt het op dat zijn bedrijvigheid in het bijzonder een dubbele richting uitging: de methodiek en didactiek van het onderwijs in de levende, inz. de Germaanse talen, vooral het Duits en het Nederlands; de wegen die dit onderwijs, op nationaal vlak in de franstalige middelbare (secundaire) en hogere onderwijsinstellingen, op internationaal vlak door middel van jeugdcontacten, jeugdbewegingen, culturele akkoorden, m.e.w. internationale uitwisselingen zou dienen te gaan. Hierbij moet dan nog zijn bijzondere belangstelling en bedrijvigheid hoofdzakelijk op het gebied van de Nederlandse literatuurstudie worden onderstreept, nl. de Nederlandse literaire kritiek, de Nederlandse literatuurgeschiedenis, de vertaling van sommige wel uitgekozen Nederlandse schrijvers in het Frans, zijn moedertaal.

In verband met deze werkzaamheden dient niet te worden vergeten dat het, van huis uit, als franstalige Luiker Waal geweest is, dat François Closset bedoelde bedrijvigheid aan de dag gelegd heeft. Het is van het Frans als voertaal uit, dat hij naar de studie en de praktijk van de Germaanse talen en literaturen, inz. de Nederlandse taal en literatuur, is overgegaan. Dit betekent niet, dat hij de Duitse en Engelse talen en literaturen zou verwaarloosd hebben; zijn bibliografie wijst het tegendeel uit. Nochtans moet worden onderstreept dat zijn ontwikkeling, wanneer men die van in het begin af overzichtelijk beschouwt, zowel wat het praktisch tweede taal-onderwijs als het literair onderwijs betreft, vooral in de richting van het Nederlands is gegaan, dat hij trouwens, zowel gesproken als geschreven, precies als franstalige Luiker Waal op bewonderenswaardige wijze wist te hanteren. Wat hij in zijn Door Nederland, als ondertitel van het werk, de "Nederlandse omgangstaal" heeft genoemd, heeft bij onze collega altijd een bekwaam verdediger gevonden; hij heeft hiermee het franstalig gedeelte van ons land, feitelijk zijn "land van herkomst", werkelijk gediend. De Vlaamse en Hollandse neerlandisten zijn er hem dan ook dankbaar voor geweest, getuige het vertrouwen dat zij in hem stelden in tal van organismen, die het Algemeen Beschaafd, de Nederlandse literatuur en cultuur op hun programma hebben.

Beroepshalve ging echter zijn hoofdbelangstelling, -- hij was aan de Luikse Rijksuniversiteit verantwoordelijk voor het onderwijs in de bijzondere methodiek van de Germaanse talen, -- men mag wel zeggen het meest overtuigd, strijdend, om niet te zeggen combatief, naar de didactiek van de moderne, levende talen, inz. de Germaanse talen, in het middelbaar (secundair) en hoger onderwijs.

Hij stond, -- en dit tot aan zijn dood, -- op het standpunt van een tweede taal-onderwijs vanuit de praktische, levende taal. Zoals hij het nog, onmiddellijk voor zijn overlijden, in een bijdrage aan zijn Tijdschrift voor Levende Talen, A propos d'automatismes (XXXI, 1965, 1, blz. 99 en vlg.), wist te zeggen, mag het grammaticaal tweede taal-onderwijs in geen geval louter geheugenonderwijs zijn, nl. alleen met dit geheugenonderwijs tot doel. Het moet rekening houden met de bijzondere aanleg van iedere leerling afzonderlijk, geduldig, geleidelijk van een lagere naar een hogere kennis en vorming voeren, zonder daarom, desgevallend, sommige "automatismen" uit te sluiten. Het is wat hij vaak noemde de leerling op zich laten afkomen, hem uit zijn nest halen, en hem vooral niet overdonderen met onmogelijke eisen, boekenkennis, brani. Vertaal-, spreek- en steloefeningen, zowel van de algemeen beschaafde omgangstaal als de bijzondere, particuliere taal, zowel van de handelscorrespondentie als de hogere cultuurtaal, dit om eindelijk te kunnen deelnemen aan het volle dagelijkse, sociale, economische, literaire, artistieke, wetenschappelijke leven, ze dienen parallel en progressief vanuit een directe, actieve instelling tegenover de student te worden opgevat, met het doel hem zodoende harmonisch te leren voelen, denken en handelen, zij het nationaal of internationaal, en dit alles, sprekend of schrijvend, tot uitdrukking te leren brengen.

Het is uit deze geest, dat zijn handboeken, nl. Door Nederland, De kleine Correspondent, Nederland's Handel en Verkeer, Nederland in een Notedop, De Nederlandse Taal en Cultuur, ook, dit in samenwerking met Adolphe-Léon Corin, Deutscher Handel und Wandel, met de Deutsche Geschäftsbriefe als complement, zijn ontstaan. Theoretisch steunen genoemde handboeken op zijn Didactique des Langues Vivantes, waarvan uitgaven in het Nederlands, het Joegoslavisch en het Spaans het licht zagen, daarbij op een reeks opstellen bezorgd als publikaties van het Seminarie voor de bijzondere Methodiek en de Orthofonie der Germaanse talen van de Luikse Rijksuniversiteit: ze omvatten de hele problematiek van het moderne, levende, vooral tweede taal-onderwijs, vanaf een reeks praktische wenken voor de leraar levende talen om dit onderwijs tot een goed einde te brengen, tot een antwoord op de in de jongste tijd meermalen opgeworpen vraag, of dit onderwijs, op het ogenblik, al dan niet aan zijn failliet toe is.

Ik acht me persoonlijk onbevoegd enig oordeel uit te spreken nopens de wijze waarop, in de geschiedenis van het vak te onzent en in het buitenland, bewuste vrije, disponibele, humanistische methodiek van François Closset, werkelijk baanbrekend, in het bijzonder nieuw geweest is, of nog is. Ik laat dit aan de historici van de discipline over. Maar wat ik toch kan verantwoorden is, dat François Closset met zijn evenwichtige, labiele combinatie van tegendelen, nl. van de actieve, directe mondelinge methode en de passieve, indirecte schriftelijke methode, dus gesproken en geschreven woord, woordgebruik en taal, d.i. het praktisch en het rationeel, gecodificeerd grammaticaal taalgebruik, enkele studenten heeft gevormd, -- generaties is te veel gezegd, -- die zijn didactische inzichten aan anderen zullen doorgeven in de geest van een methodiek in voortdurende staat van wording, dit ondanks alle automatiserende, techniserende pogingen. Zij hebben van hem geleerd, dat taal ten slotte evenzeer irrationeel als rationeel leven en persoonlijke levensexpressie is; ze laat zich niet altijd vatten of leiden, gezwegen van onderwijzen door middel van een mechaniekdoosje, of een machientje.

Om zijn inzichten ingang te doen vinden, heeft François Closset er van stonde aan over nagedacht, op praktisch organisatorisch gebied, tot het mogelijk maken en bevorderen van contacten, het bundelen van krachten, zowel onder de te onderwijzen jeugd als onder de collega's levende talen zelf over te gaan. Zo zien we hem, reeds in 1930, -- het is in zijn eerste vruchtbare tijd te Hoei, -- zijn meester Adolph-Léon Corin ter zijde staan bij de oprichting van het Belgisch Bureau voor Studentenuitwisseling (Bureau belge pour les Echanges estudiantins); in 1945 zou dit, onder zijn bestuur, de stichting De Belgische Jeugd in het Buitenland (La Jeunesse belge à l'Etranger) worden, zulks onder de auspiciën van de Belgische Universitaire Stichting. In 1934 wordt door hem overgegaan tot de oprichting van de Vereniging der Belgische Leraren in de Levende Talen (Association des Professeurs de Langues Vivantes de Belgique), met daarbij, in 1935, het orgaan van de vereniging, het Tijdschrift voor Levende Talen (Revue des Langues Vivantes), dat in een leemte voorzag.

Het is, van dit ogenblik af, dat hij, in eigen land, ook in het buitenland, hoofdzakelijk in de kringen van het onderwijs in de levende talen, de nationale en internationale jeugdpolitiek, de culturele akkoorden en soortgelijke toenaderingsorganismen, de Unesco, bekendheid zou verwerven. Zo zien we hem voorzitter worden van de Belgische Nationale Jeugdraad, de Internationale Vereniging der Leraren in de Levende Talen, de Internationale Federatie der Organismen voor Schooluitwisseling, de Belgisch-Nederlandse Commissie Effectus Civilis, de Commissie der Jeugdbewegingen van de Unesco, verder lid van de Gemengde Commissies ter Uitvoering van de Belgisch-Luxemburgse, Belgisch-Noorweegse, Belgisch-Deense en Belgisch-Nederlandse Culturele Akkoorden, de Nationale Commissie van de Unesco, de Nationale Commissie voor de Promotie van het Onderwijs in de Tweede Taal. In al deze middens zal hij ongetwijfeld menig steentje hebben bijgedragen tot het doen erkennen van het bestaan, in België, van tal van pedagogische, methodologische en culturele problemen die, op nationaal of internationaal vlak, op een oplossing wachten.

Als didacticus toonde François Closset, reeds in zijn handboeken, een bijzondere belangstelling voor het onderwijs van de literatuur, de kunsten en wetenschappen, evenwel in een eenvoudige, toegankelijke vorm. Het zal nochtans als belangstellende op het gebied van de Nederlandse literatuurstudie zijn, nl. de literaire kritiek en de literatuurgeschiedenis, dat hij, als franstalige Belgische germanist, die daarbij het nodige contact met Nederland onderhield, zijn sporen zal verdienen.

Als men zijn bedrijvigheid op dit gebied van dichtbij onderzoekt, constateert men het volgende: zij gaat van het zeer algemene tot het zeer bijzondere, van het literair aspect, de historische schets tot de figuur, in dit geval van een of ander schrijver die dan door hem, grondiger dan andere auteurs, wordt behandeld. Voorts valt het op, dat het bij hem om een beperkt, doch ideologisch vast aantal dichters, romanschrijvers en toneelschrijvers gaat: Multatuli, de Hollandse groep van Forum, allen Multatulianen; Vermeylen, de Vlaamse groep van 't Fonteintje, allen Vermeylianen; dan nog, als jongste vertegenwoordiger van de vrij humanistische, antiëstheticerende richting, die liever de "vent" boven de "vorm" stelt, de mens boven de kunst, Herwig Hensen. Afgezien van tal van aankondigingen, boekbesprekingen, karakteriseringen, herdenkingsartikels, enz., zowel in het Frans als het Nederlands, vooral in zijn eigen tijdschrift, het Tijdschrift voor Levende Talen, -- hij volgde hierin de eigentijdse produktie, men mag wel zeggen op de voet, -- stek men in het bijzonder een voorkeur vast voor, eerst Raymond Herreman, dan Herwig Hensen, dan Maurice Roelants. De werkelijk levende, ik bedoel zoekende, zich vernieuwende, experimentele avant garde-literatuur op welk gebied ook, kwam bij hem weinig aan bod. Op kritisch en historisch literair gebied heeft m.i. hierbij het tegenovergestelde plaatsgehad van wat in zijn werk op didactisch en methodologisch gebied plaatshad: hij hield het, literair, bij gevestigde, traditionele waarden, ook waarden die dicht bij zijn levens- en denkkring lagen. Zijn keuze was zeker selectief, maar ging een en dezelfde richting uit: liever wat de schrijver als mens, dan wat de schrijver als schrijver te betekenen heeft. Werkelijk formele, als zodanig ten slotte literaire verschijnselen en problemen bleken hem niet erg te liggen; men vindt er althans weinig sporen van in zijn kritische en historische geschriften, wat betreft de Nederlandse literatuur.

Zoals blijkt uit zijn historische geschriften, Esquisse des littératures de langue néerlandaise, La littérature flamande du moyen age, Aspects et figures de la littérature néerlandaise depuis 1880, ook grondiger studies over een of andere voorkeurschrijver, was zijn doel steeds, niet zozeer speurend, onderzoekend, streng wetenschappelijk, of ook scheppend essayistisch te werk te gaan, doch veelal voorlichtend, informatief, neutraal, zoals het een gids betaamt. Hij steunde hierbij meestal op wat al ontdekt of geformuleerd was, en bracht, zo objectief mogelijk, verslag uit over wat hij las; bijna nooit over wat het gelezene in hem opriep, en de manier waarop het hem aansprak. De man van het onderwijs, de pedagoog die de literaire feiten en verschijnselen allereerst onder de ogen van zijn leerlingen heeft te brengen, nl. zoals ze zijn, of ten minste schijnen te zijn, -- want in hoever is iets, of schijnt iets in literatuur en kunst te zijn, -- haalde het bij François Closset veelal op de lezer, die ja of neen zegt.

Er dient hier, aan het slot van dit levensbericht van onze betreurde Luikse collega, nog gewezen op de bekendmaking door hem, nl. langs Franse vertalingen, van sommige Nederlandse schrijvers, die zijn voorkeur hadden. Dit zijn, uit de modernen, Maurice Roelants, Herwig Hensen en Simon Vestdijk; uit de middeleeuwse literatuur, werken als Karel ende Elegast, Beatrijs, Van den Vos Reinaerde, sommige Strofische Gedichten, Visioenen en Brieven van Hadewych, een Martijn van Jacob van Maerlant, Lanceloet van Denemerken, de klucht Nu Noch, Marieken van Nieumegen, Elckerlijc, fragmenten uit Ruusbroec, een reeks middel eeuwse gedichten. Ook hiermee was zijn bedoeling bescheiden; zijn ambitie, tevens zijn excuus op dit gebied, schrijft hij in zijn woord vooraf tot zijn Joyaux de la littérature flamande du moyen age, was uitsluitend: "de suggérer le désir d'une initiation à une littérature trop peu connue".

Bedoelde Joyaux betekenen wellicht het kostbaarste geschenk dat François Closset, de "minnaar van het Nederlands" (Karel Jonckheere), "dag aan dag bezig met onze letteren" (Raymond Herreman), samen met zijn Didactique des Langues Vivantes, -- maar dit dan op een ander gebied, -- de franstalige Belgische studerende jeugd heeft weten te bieden. Het is dan ook voor deze Joyaux dat hem, in 1962, de Belgische Staatsprijs voor Vertalingen te beurt mocht vallen.

Als erkenning van bewezen diensten, in eigen land en in het buitenland, werd François Closset met menige Belgische en buitenlandse ridderorde onderscheiden.

M. RUTTEN.

 

Zie verder: Afkomstig uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1964-1965.

 

Drukkerij Charles Closset te Verviers:

De afbeeldingen van deze reclameprentjes zijn afkomstig van Dhr. Wil Lem.

Bron o.a.: Mozart.

 

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) en Dr. Thomas Frans CLOSSET.

 

Die Zauberflöte is de laatste opera die Mozart heeft geschreven (klik eens met de muis op het portret van Mozart).

 

Hitziges Frieselfieber, zo luidt de doodsoorzaak op de op 5 december 1791 opgetekende overlijdensakte van Wolfgang Amadeus Mozart. De leek huivert en vermoedt instinctief de taaie doodsstrijd die zich achter de geblindeerde ramen op de tweede verdieping van het kleine Kaiserhaus in de Weense Rauhensteingasse moet hebben afgespeeld. De hitsige, acuut ingetreden zwellingkoorts die de k.k. Kapellmeister und Kammer Compositeur op 36-jarige leeftijd fataal werd, is in medisch opzicht een tamelijk vage, algemene diagnose. In Berlijnse en Praagse bladen verschenen berichten dat Mozart zou zijn bezweken aan Herzwassersucht. Een vergelijkbaar ziektebeeld, maar een die de mogelijkheid van een gifmoord niet uitsluit. Het was het begin van een stroom van geruchten en complottheorieën. Hij zou om het leven zijn gebracht door rivaliserend componist Antonio Salieri (1750-1825), of door de Vrijmetselaars, vanwege het prijsgeven van hun geheime inwijdingsrites in Die Zauberflote. Deze speculaties kregen een zeker gewicht door Poesjkins eenakter Mozart en Salieri, uit 1830. Hierin verstrekt Salieri aan Mozart een opdracht voor het schrijven van een Requiem en overhandigt hem na de voltooiing daarvan de gifbeker. Dit stuk, in 1898 getoonzet door Rimsky-Korsakoff, stond tevens model voor de giebelende Amadeus (1984) van Milos Forman. Vast staat dat de medische bijstand die Mozart ontving hem niet bepaald heeft geholpen, al geschiedde het naar de beste inzichten van die tijd. Naast het gebruikelijke aderlaten, was behandelend geneesheer Dr. Thomas Franz Closset een fervent voorstander van braakmiddelen. Dit zou de uitslag en ontstekingen die het gehele lichaam van de patiënt overdekten meer "van de huidoppervlakte verdrijven". Toen op de avond van vier december Mozarts hoofd van de koorts plotseling was gaan zwellen, kostte het nog de nodige moeite om Dr. Closset te overreden zich van het theater naar het ziekbed te begeven. Hij wilde eerst het Ende der Piece afwachten zoals het een waar muziekliefhebber betaamt. De koude kompressen die de dokter als kuur voorstelde, hadden niet het gewenste effect, want Mozart belandde in een shock. In de nacht van 5 december sterft hij. De volgende dag werd zijn lichaam voor de uitvaart gezegend in de Crucifixkapel van de Stephansdom. Een gedenkplaat op deze plaats uit 1931 memoreert deze gebeurtenis. 7 december 1791 wordt het Salzburgse genie, naar heersende Weense gewoonte, in een gewoon graf, een zogenaamd Schachtgrab, begraven op de begraafplaats St.Marx gelegen even buiten de stad. Eveneens volgens de toenmalige gebruiken waren er geen rouwenden op de begraafplaats aanwezig.

 

Constanze, de weduwe van Mozart had gekozen voor een goedkope begrafenis in de derde klasse voor 8 gulden en 56 halve stuivers. Het graf bleef zonder enig grafteken en toen men zich later ging interesseren voor het graf van de grote componist, kon men de precieze plaats niet meer terugvinden; de doodgraver kon zich achteraf niet meer herinneren waar Mozart begraven was. Pas in 1859 liet de gemeente Wenen op de vermoedelijke plaats een grafmonument van de beeldhouwer Hans Gasser plaatsen. Op de 100ste sterfdag van Mozart werd het monument verhuisd naar het Zentralfriedhof, waar het nu nog staat op het ereveld tussen Beethoven en Schubert. De lege plaats op het St.Marxer Friedhof werd voorzien van een monumentje dat bestaat uit begraafplaatsrestanten: een engel, een naamplaat en een afgeknotte zuil.

 

Is Mozart overleden aan de gevolgen van een vergiftiging? Dit lijkt niet waarschijnlijk; eerder zal men de oorzaak moeten zoeken in de richting van meningitis of aan de gevolgen van een hematoom. Heeft dokter Closset de juiste diagnose gesteld en zijn patiënt conform de voor die tijd geldige maatstaven deskundig behandeld? De doodsoorzaak zal altijd wel een raadsel blijven; men heeft geen botresten of schedel aangetroffen welke op grond van een DNA match van W. A. Mozart afkomstig is.

 

 

Kerkhof te Visé. Gesneuvelden Eerste en Tweede Wereldoorlog.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog overleden de volgende gedeporteerde Clossets:

 

Achternaam Voornaam Geboorteplaats Overleden te
Closset Achille Grand-Leez Dachau
Closset Joseph Grand-Leez Dachau
Closset Léon Grand-Leez Dachau
Closset Marcel Verviers Klagerfurth

Bron: Gefusilleerden en gedeporteerden uit de tweede wereldoorlog , Les Fusillés et les déportés de la deuxième Guerre Mondiale , Civilians shot during the Second World War.